Een bolwerk van burgerlijkheid

  • Verschenen in: De Abdij van Middelburg
    pagina: 168-187
  • Redactie: J.C. Dekker (eindred.) en anderen
  • Uitgever: Uitgeverij Matrijs
  • Utrecht 2006

Tijdens het Bataafse bewind werd de kiem gelegd voor een fundamenteel andere bestuurlijke ordening van Nederland. In deze periode zag Zeeland haar positie als prestigieus gewest in de oude Republiek omslaan naar die van een provincie in de marge van de monarchale eenheidsstaat. Wat gebeurde er in de Abdij van Middelburg, die al eeuwen het bestuurlijk centrum van Zeeland was? Welke functie kreeg dit gebouwencomplex, nu een deel ervan leeg kwam te staan?

Statenvleugel Abdij, midden 19de eeuw. Zeeuws Archief, HTAM-156.

Nieuwe bestuurscultuur in het oude machtscentrum

Sinds de Bataafse Revolutie in 1795 volgden de wisselingen in het Zeeuwse provinciebestuur elkaar snel op. De Zeeuwen wenden aan een centraal geleid bestuur. Dat ging daadkrachtig van start met de vernieuwing van de volksvertegenwoordiging, wetgeving en overheidsadministratie. Tegelijkertijd voltrok zich een economische achteruitgang in de steden. Het inwonertal liep er drastisch terug. Middelburg was begin negentiende eeuw een te grote stad voor een veel kleiner achterland. Evenzo was de Abdij een veel te groot bestuurscentrum voor een provincie die haar soevereiniteit had afgestaan aan de nationale regering. Oude bestuursorganen werden opgeheven, hun vergaderlokalen in de Abdij stonden leeg.

Burgerlijke beschaving

De Abdij bleef echter de zetel van de politieke, bestuurlijke en rechterlijke macht in Zeeland. Voor de families die deel uitmaakten van de Zeeuwse elite waren de Abdijgebouwen de ruimtelijke vertaling van een gedurende generaties gegroeide dominantie in het gewestelijk bestuur. Nu gebroken werd met de gewestelijke soevereiniteit taanden de macht en het aanzien van de Zeeuwse elite. Ze trachtte haar status te behouden door de nieuwe bestuurscultuur op te bouwen vanuit het oude machtscentrum. De Abdij werd bovendien de plek waar de Zeeuwen etaleerden wat zij aan de Republiek hadden bijdragen: zeehelden en koopvaardijsuccessen. De Nieuwe Kerk was vele malen het toneel om de overwinning op de Spanjaarden of de Fransen te herdenken. Elders in de Abdij werden op tal van plaatsen tastbare herinneringen gekoesterd aan een glorierijk verleden. Ook andere Middelburgse notabelen namen in de loop van de negentiende eeuw bezit van delen van het Abdijcomplex. Zij brachten hier een burgerlijk cultuuroffensief op gang. Hoogtepunt was de ingebruikname van een concertzaal in de Abdij. De Middelburgse afdeling van de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen maakte eveneens gebruik van deze zaal. Elite en volk werden zo beide in de Abdij bediend.

Opnieuw een bestuurscomplex

Aan het eind van de negentiende eeuw eigende het provinciaal bestuur zich de Abdij weer toe. Instellingen die niets met het politiek bestuur te maken hadden, verdwenen. Na restauratie van de gebouwen kreeg het provinciaal bestuur meer ruimte voor huisvesting van zijn administratieve apparaat. Dit alles gebeurde in een periode waarin de patricische families in de Provinciale Staten plaats maakten voor nieuwkomers uit de Middelburgse en Vlissingse burgerij. Daarin werden de gevolgen zichtbaar van de geleidelijke uitbreiding van het stemrecht tussen 1887 en 1919. Kleine boeren, middenstanders en arbeiders mochten nu ook politieke vertegenwoordigers kiezen.

Erfgoed etalage

Tegelijkertijd strekte de bevoogdingsdrang van de notabelen zich over deze groepen in de samenleving uit. De Abdij was daarvan opnieuw het decor. De koninginnen Emma en Wilhelmina werden in 1894, op rondreis door het land, op het Abdijplein onthaald op een parade van Zeeuwse boerenmeisjes in streekdracht. Deze parade was door de stedelijke elite in elkaar gestoken. De verbeelding van de ongerepte volkscultuur van het Zeeuwse platteland was een poging om als provincie bij te dragen aan een nationale identiteit, waarin dit beeld hoogtij vierde. Nog niet eerder had de Middelburgse elite de landlieden met zoveel bombarie in de Abdij verwelkomd. De historische gebouwen fungeerden nu als etalage van een gecreëerd erfgoed uit de maagdelijke buitengebieden, dat de elite met overtuiging inzette om de eendracht in provincie en natie te bewaren. Dat gebeurde in 1913 en 1924 opnieuw bij tentoonstellingen van Zeeuwse volkscultuur in de Abdij.

in: publicaties
tags: ,